Fragment uit het verhaal
"De tent van tante Bep en oom Rein"

Midden in de nacht wordt er heel hard op het raam gebonkt. “Nico, Annie!” hoor ik hard roepen als ik stijf van de schrik rechtop in bed zit. Wakker geschrokken, vraag ik mij af wie er nou midden in de nacht op ons raam staat te bonken. Mijn vader springt overeind, maar is even vergeten dat hij in een stapelbed ligt. Nadat hij hetzelfde roept als wat opa riep toen hij zijn wandelstok tegen zijn hoofd kreeg, loopt mijn vader met de zaklantaarn naar de voordeur. Snel steek ik mijn hoofd langs het gordijn om te zien wie er bij de deur staat. Mijn vader doet de deur open, maar door de storm slaat die met een klap weer dicht. Opnieuw doet mijn vader de deur open. In het licht van de lantaarn staan tante Bep, oom Rein, Nicky en Reinie als verzopen katten voor onze deur. “Kom snel binnen,” roept mijn vader. Net als tante Bep dat doet, klapt de deur met een klap dicht. Tante Bep wordt als het ware de keuken ingegooid. Ze valt zo goed als in de armen van mijn vader, die er nu een beetje onhandig bijstaat. Ik houd mijn hand voor mijn mond.
Wat is dit een komisch gezicht. Mijn moeder is ook opgestaan en heeft het gaslampje boven de tafel aangestoken. Conny zie ik nu ook langs het gordijn de kamer in kijken. “Je hebt wat gemist,” fluister ik en vertel Conny hoe tante Bep de keuken in en in de armen van pappa werd gegooid.

“De hele tent is weggewaaid,” zegt oom Rein, tante Bep huilt. De rode randjes om haar ogen zijn feller rood dan dat zij normaal al zijn. “Zie je nou waarom ik liever in een hotel wil slapen?” snottert ze. Mijn moeder pakt uit de Coca Cola kist een stel handdoeken en geeft tante Bep een droge handdoek. “Droog je eerst maar even af, dan zet ik ondertussen een lekker kopje warme thee.” Ze werden wakker van de regen en de wind, die intussen flink was aangetrokken. Oom Rein vertelt dat de tent enorm stond te schudden en uiteindelijk als een kaartenhuis in elkaar klapte. Het gootje en de bult zand die de tent moesten beschermen, leverden niet het beoogde resultaat op.

Het zeewater liep gewoon de tent in. De spullen slingerden door de tent. Tante Bep kreeg een bord tegen haar hoofd en gilde dat ze doodging. Oom Rein troostte haar en zei dat het haar tijd nog niet was en dat ze alleen moesten maken dat ze wegkomen. Toen ze eenmaal buiten de tent waren, tilde de wind de tent op en smakte hem een stuk verder tegen de tent van de Duitser aan.
De tentharingen zijn allemaal uit de grond gerukt. Alle lijnen zijn geknapt. De tent van de Duitser had niet meer de vorm die hij ‘s middags had, maar stond er in ieder geval nog wel, had tante Bep een beetje jaloers geconstateerd. Ze hadden zoveel mogelijk spullen bij elkaar geraapt en achter een van de houten strandhuisjes neergelegd tot de storm voorbij zou zijn. Het huisje ernaast had geen dak meer. De wind had er vat op gekregen en het dak lag verwrongen tegen het duin aan. Overal lagen parasols, ligstoelen en plastic vuilnisbakken. Iedereen hielp mee om te redden wat er te redden viel. Kinderen liepen huilend te roepen om hun moeder. Moeders schreeuwden om hun kinderen. Tante Bep zegt dat ze nog nooit eerder in haar leven zo bang is geweest. “Het is helemaal geen windkracht tien. Het is veel erger, het is een orkaan,” zegt oom Rein. Tante Bep heeft een pleister van mijn moeder gekregen want zij heeft een snee boven haar wenkbrauw opgelopen. Het geronnen bloed zit op haar wang en op haar wimpers. “Jullie kunnen hier natuurlijk allemaal slapen,” biedt mijn moeder royaal aan. “Oh ja, waar dan?” denk ik ongerust.